Tekst zoeken   -    Inhoud   -    namen index
 - Vorige - Volgende

Onder den Klockenslagh van Neel, Leeuwen en Asenray door Jan Ruiten©

pag.202  

Onder de klockenslagh van Neel Asenray en Leeuwen

ERFVOOGDIJ

Uit een oud protocol blijkt, dat het huis Dalenbroek oorspronkelijk een leen is geweest van de erfvoogdij van Roermond.
Ook Meersenshof was hieraan leenroerig.
Waarom zou het ene leengoed wél met het jachtrecht begiftigd zijn en het ander niet?
Aldus het verweerschrift van de familie Petit. De schout en bode van Niel hadden geen enkel gezag op het goed. De bewoners van De Thooren hoefden dan ook de vrijheer niet als hun erfflandtheer te erkennen, ook al waren diens voorzaten in vroeger tijden zelf erfvoogden van Roermond geweest. Alleen als zodanig zouden de vroegere vrijheren van Dalenbroek leenheren (domini direct! feudali) zijn geweest van het vrij-adellijk huis, waarover zij dan gezag konden uitoefenen. (Petit doelde hiermee op de oude familie van Vlodrop, waarvan leden vrijheer van Dalenbroek, dan wel erfvoogd van Roermond waren. In mei 1440 beëindigde Willem van Vlodrop als erfvoogd de leenverhouding van het kasteel.) De heren van Heinsberg zijn vazallen geweest van de hertog van Gelre, waaraan zij zichzelf en al hun goederen hadden onderworpen. Toen daarop de vrijheerlijkheid Dalenbroek was overgegaan op de familie van Vlodrop, hadden zij daarmee tevens het jachtrecht in het gebied verworven.
Maar dat betekende niet, aldus Petit, dat hier niemand anders dit recht genoot, zoals ook de erfvoogden dit recht hadden en mogelijk nog anderen.
De vrijheer zette er een vraagteken achter, of het goed wel zo'n oud leen was, daar het leenregister van de erfvoogdij eerst in 1417 begon. (N.B.: Dat is het jaar dat het onderleen van Asenraede werd teruggekocht.) Trouwens, de erfvoogd kon niemand met de jacht belenen, die hijzelf nooit heeft gehad! Bovendien was Meersenshof voor het grootste deel een eigenerf (allodiaal) en slechts gedeeltelijk een leen. Het goed viel dus wel degelijk onder het gezag van de vrijheer en voor die bagatelle die daarvan leen is, hoefde hij geen uitzondering te maken.
Die uitspraak komt overeen met een heel oudt regysterken van de pastoor. Daarin stond geschreven, dat van Hertenfeits land alleen twee morgen tiendvrij waren. Maar o.a. in 1628 weigerde jonker van Harttefelt de landschat te betalen (57 daalders over 19 bunder), waarvan hij beweerde exempt to sijn 13).

Om zijn rechten te verdedigen, mocht de vrijheer zich vanouds tegen elke tegenstrever of vijand verweren (behalve tegen een bisschop van Luik, een hertog van Gelre, een graaf van Meurs en een graaf van Horne). Hij zou dan ook niet lijdzaam blijven toezien, hoe hier met heymelicke aeten een aanslag op zijn rechten werd gepleegd. Niemand anders dan hijzelf was in de vrij landen van Dalenbroek in de jacht gerechtigd en nog minder om zijn jachthond te vervolgen en dood te schieten!

DE JACHT

Uit een brief uit 1688 zou moeten blijken, dat Petit nog nooit op heymelicker wijse was gaan jagen, maar daartoe als eigenaar van De Thooren gerechtigd was, zoals oudtijds jonker Hertenvelt en zijn erfgenamen. De oude vrijheer heeft daar dan ook nooit enige ophef over gemaakt. Ook in de ommelanden hadden de eigenaars van adellijke huizen het jachtrecht, zonder daar verder enige rechtsmacht te bezitten.
Bleef evenwel de akte uit 1554, waarin Dederick van Hertenvelt, Hans Custers en Thysken de bode van Niel door de toenmalige vrijheer met de konijnejacht werden beleend. Daarvoor in ruil zouden zij aan de vrijheer twee hazen en konijnen leveren, mét het vel. Hoe kon Petit, aldus de vrijheer, dan beweren, dat de jonkers van Hertenveldt gerechtigd waren tot de jacht?
Waarom zou iemand pachten wat hij al bezit?
Maar advocaat Petit was goed thuis in het Gelders en Guliks recht. Meersenshof stond voorheen enkel op naam van Steven van Hertenvelt als oudste zoon, met alle gerechtigheid van dien. Dederick kon op deze privileges geen aanspraak maken en was dus niet in de jacht gerechtigd geweest, of het moest via uitdrukkelijke toestemming van de vrijheer middels een verpachting, zoals hierboven vermeld.
Tussen de twee broers boterde het toen toch al niet. Uit overlevering was bekend, dat Dederick, om sijn broer spijt aen te doen, naast Meersenshof aan het gemeen broek zijn eigen huis had laten timmeren.
Maar dat was met lanckheyt van teyt ondertussen weer vervallen. Daar was niets meer van over.


Onder den Klockenslagh van Neel, Leeuwen en Asenray door Jan Ruiten©

pag.202  

Eerste  Vorige  197 198 199 200 201 202 203 204 205 206   Volgende  Laatste