Tekst zoeken   -    Inhoud   -    namen index
 - Vorige - Volgende

Onder den Klockenslagh van Neel, Leeuwen en Asenray door Jan Ruiten©

pag.5  

Onder de klockenslagh van Neel Asenray en Leeuwen

VOORWOORD

OPPE KNEEN
Dat lijkt me voor eine Neelder het enige dat hij doen kan als hij dit boek ziet. Op de knieën, uit eerbied voor het ontzaglijke werk dat Jan Ruiten verricht heeft. Iemand uit Linne, wiens voorouders al meer dan een eeuw weg zijn uit Neel. Dertien jaar lang heeft hij onvermoeid gegraven naar het dorp van zijn vaderen. Helemaal alleen. Hulde, hulde en dank.
Hij heeft een rijk boek geschreven, Jan Ruiten. Rijk als een museum vol verrassingen en schatten. Een boek over de geschiedenis van Neel maar geen geschiedenisboek. Daarvoor zijn er te veel gaten in die vaak bewogen geschiedenis. Neel -hoewel een heerlijkheid - had te weinig heren en magistraten om een rol in de grote geschiedenis te spelen. Geld en geldingsdrang waren hier niet bovenmatig aanwezig.
Neel zelf was een eenvoudige gemeenschap van kleine luiden langs de beek. Erbuiten, in Leeuwen maar vooral in Asenray en de Straat, lagen een stuk of twintig hofsteden. Hier ploeterden de halfers: pachters die de helft van alles wat ze produceerden aan de eigenaar dienden af te staan. Dat lijkt veel (en dat was het ook), maar is de belasting nu voor wie wat beter boert ook geen vijftig procent? Bovendien moest iedereen nog belasting betalen aan de wereldlijke machthebber en aan meneer pastoor. Geld, kippen of een vat witte wijn. Aerpelesjale accepteerde ook toen niemand.
Geen geschiedenisboek is dit Onder den Klockenslagh. We horen wel over de rampspoeden die de geschiedenis bracht. De ellende van de Tachtigjarige Oorlog. Spanjaarden hielden hier huis, staken uit wraak de boerderij waar nu de Brandewijer is in brand: vandaar die naam. In het begin van de achttiende eeuw, toen de Spaanse Successieoorlog woedde, arriveerden vreemde troepen als waren het toeristen.

Franse officieren smikkelden de duiven van de Tegelarij op, ook Lotharingers en Brandenburgers hielden van een lekker stuk vlees. Zelfs de Prins van Oranje, stadhouder Willem IV, verkoos Neel als pleisterplaats. Troepen van de keizer van Oostenrijk velden in 1748 ruim 5400 bomen tussen Wijershof en de Spik.
En reken maar dat al die vreemde troepen zich niet zo netjes gedroegen als onze blauwhelmen in Bosnië. Steeds weer waren de gewone mensen de klos. In de Napoleontische tijd, toen het geloof min of meer verboden was, trouwde een stelletje „achter Asenray" in een kapelletje van stro. Na de val van Napoleon, maar nog voor zijn Waterloo, logeerden een paar honderd Pruisische officieren op Thuserhof. Daarna werd het wat rustiger. Het duurde 127 jaar voor de Pruisen weer kwamen.
Het is evenmin een schoolboek, dit boek over Neel, maar we komen veel te weten wat we niet wisten. Dat Leeuwen en Asenray economisch vaak belangrijker waren dan Neel, dat er enkele eeuwen geleden nauwelijks verschil in inwonertal was tussen de drie kernen, dat bij Asenray tientallen turfkuilen lagen, dat er een hei was wit van de schapen, dat er tientallen vakwerkhuizen stonden. We leren dat half Roermond gebouwd werd met in Neel gebakken stenen, dat er bij de aanleg van de Elmpterweg (omstreeks 1850) misschien corruptie in het spel was, en dat de heerlijke meisjesnaam Ummelke van Amalia komt. We leren waarom een vader Smeets kan heten en zijn zonen Schmitz: die waren in Melick gedoopt en de pastoor aldaar hield de Duitse schrijfwijze aan.
Meibomen hadden we, en humor. Die van Swalmen hadden een wal, een landweer rond heel hun hebben en houwen opgeworpen. Bij de Schinheuvel raakte die duidelijk aan Neel, en hoe noemden wij dat trotse verdedigingswerk?


Onder den Klockenslagh van Neel, Leeuwen en Asenray door Jan Ruiten©

pag.5  

Eerste  Vorige  0 1 2 3 4 5 6 7 8 9   Volgende  Laatste